Er zijn dingen die je van je leven niet vergeet.

Konkelfoezend stonden we met ons twee tegen de muur van de foto-studio de drukte te observeren. Niet dat we plannen hadden om mensen uit te lachen, maar enige humor was ons toch niet vreemd.
“Seg, die ene daar, kent gij die?” Ze wees naar een man met een serieuze camera die geconcentreerd making-of-foto’s maakte van het studiowerk.
“Nee, dat is misschien iemand van de andere klas?”
“Ik heb hem in elk geval nog nooit gezien.”
“Zou dat een eerstejaars zijn?”
“Bwa, dat ziet er eigenlijk wel al nen echte uit.”
We lachten. Maar het was waar. Het zag er wel nen echte uit.

Een paar maanden eerder had ze mij een vraag gesteld.
“Wat denkt ge? Op 7 februari moeten ze er hangen. Een twintigtal foto’s ofzo. Gij maakt de selectie, drukt ze af en zorgt dat wij ze kunnen ophangen. Ze mogen drie maanden blijven hangen. En we doen een feestje bij de opening. Met gratis cocktails, dat zou wel leuk zijn. Ik zal uitnodigingen laten drukken, wilt ge dat?”
Ze liep hard van stapel en ik voelde mij vereerd. Iemand die in u gelooft, dat geeft een boost aan uw leven.

We gingen eens iets eten. Om goed te maken dat ze een foto van mij gebruikt had voor een publicatie en er de naam van een andere fotograaf had bijgezet. Spaghetti als lunch ergens in Mortsel, meer moest dat niet zijn. Het was een top-foto, nochtans, al zeg ik het zelf. En we praatten wat en we lachten veel. Enige humor was ons nog steeds niet vreemd. Licht-grof taalgebruik, het is een kunst om zo te praten.

Een paar maanden later belde ze me op.
“Dus ik zeg tegen de verantwoordelijke dat jij dat gaat doen. Ge zegt uw prijs maar. Allee, niet overdrijven, natuurlijk. Ik geef u de contactgegevens door, ge organiseert een paar workshops voor die mensen zonder papieren en dan organiseer je samen met hen een foto-tentoonstelling in het café. Gij kunt dat, hè, ik weet dat. We doen een feestje bij de opening. En ik zal de media erbij betrekken. Een foto in de krant van u met die mensen zonder papieren ofzo. En een aankondiging in de weekendKnack. Ik zal jouw nummer doorgeven aan de verantwoordelijke van het OCMW, die regelt dan alles met jou.”
Ze wist van aanpakken en trok me mee in het project. Er zijn dingen die je van je leven niet vergeet.

We stonden met een paar mensen in een bijna leeg café. De foto’s hingen klaar, het volk ging bijna komen, het feest ging bijna beginnen. Ik stond aan de toog met haar de cocktails te proeven.
“Is hij nu al met jou meegekomen?”, vroeg ze en ze wees de man aan die ze kende vanop de academie.
Ik glimlachte alleen maar, denk ik.
“Zijn jullie…”
Ik trok enkel even veelbetekenend mijn wenkbrauwen op, denk ik.
“Jullie zijn… allee… Dus jullie… Echt? Gij en die Koen, dus. Maar da’s een eerstejaars, Inge. Allee nee, serieus? Da’s wel grappig.”
“Eerstejaars, maar wel nen echte, hè, Leen!”
We stonden te lachen toen het volk binnenkwam.

Een paar cocktails later kwam ze er nog even op terug.
“Dat was een grapje daarstraks, hè, Inge. Ni? Want heeft die Koen geen kinderen? Ah, kleinkinderen ook al? Allee ja, ge meent het precies. Het ziet er wel ne lieve uit. Dat is goed voor jullie. Allee ja, is dat goed voor jullie?” En ik wou eigenlijk niet te veel zeggen. Want ik wist het allemaal zelf nog niet zo goed. En al dat volk dat precies mee stond te luisteren ook niet.

En toen stopte ik op de academie. Dus ik stuurde haar geregeld een kaartje en zij stuurde dan een cadeautje terug. De eerste twee keer toch. Feestjes op een festival enzo. De derde keer belde ze me op. Om proficiat te zeggen en te vragen of alles oké was. Maar ik antwoordde niet en ik stelde de vraag terug, want ik voelde dat dat nodig was. Zij antwoordde wel. Dat ze vond dat het dringend tijd werd dat ze me belde. Dat de geboorte van mijn zoon nu de aanleiding was om te zeggen dat het niet zo goed ging met haar. Dat ze het erg vond dat ik dat al zoveel maanden niet wist. Ze vond de juiste woorden niet om te zeggen wat ze wilde. Maar ik begreep wat ze bedoelde. Ik wist alleen niet wat ik moest doen.

Dus ik stuurde nog een paar andere kaartjes. Ik vond de woorden niet om te zeggen wat ik wilde. Maar ik denk dat ze begreep wat ik bedoelde.

 

En als ik nog eens een tentoonstelling doe, Leen, dan zal ik aan u denken. Dan zal ik proberen wél te durven speechen. En dan draag ik ze op aan u.

Leave Comment

Leave a Comment

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.